De blijvende teleurstelling van de kapsalon

Zaterdagnacht, uurtje of vier. We zijn de eerste de beste shoarmazaak die we tegenkomen binnengestrompeld, aangezien de dronkenmanshonger zijn intrede heeft gedaan; die niet te stillen honger die op komt zetten als je eigenlijk gewoon lekker naar huis moet gaan omdat je zoveel hebt gezopen dat je helemaal niet meer in staat bent keuzes te maken. Ook deze zaterdagnacht is dat niet anders; veel te lang staar ik naar het neonverlichte bord, keuzes afwegend al ware het een salomonsoordeel. “Neem nou maar een kapsalon” lalt vriend me bemoedigend toe “das altijd goed!”. Ik knik, dankbaar voor zoveel onverwachte wijsheid, en bestel maar meteen een grote bak; niks is immers zo erg als met honger blijven zitten als je net hebt gegeten.
Als de jongen 10 minuten later de aluminium bak voor me neerplempt kruipt de teleurstelling direct vanuit mijn tenen omhoog, samen met het andere bekende gevoel; heel veel spijt.

De kapsalon; een grote bak vet bestaande uit een laag shoarma, een nog dikkere laag patat, heel veel kaas en wat sla to top it off. Aangevuld door de onmisbare vrienden knoflook en sambal, waarbij natuurlijk vooral de eerste favoriet is in een dosis die je nooit helemaal goed in lijkt te kunnen schatten. Een Rotterdamse uitvinding, maar niet een die ooit veel goed heeft gedaan in mijn geval. Het begint al bij het eten zelf; ziet het er nog een soort van smaakvol uit als hij vers voor je wordt geschoven, zodra je de eerste happen hebt genomen veranderd de bak in een slagveld waar Napoleon een puntje aan kan zuigen. Als je dat weet te negeren komt de echte beproeving; alles naar binnen zien te proppen. De kapsalon is zo ongelooflijk vet dat ik dat nog nooit iemand heb zien doen zonder op zijn minst een keer op te merken dat “het toch best wel veel is heh, zo’n grote bak”. Inderdaad. Maar vooruit; so far so good; dit zijn nu eenmaal de algemene struggles waar je tegenaan loopt als je dronken eten bestelt, of het nu om een McDonalds menu, een complete pizza of een kapsalon gaat. De ware teleurstelling, explosie van spijt? Die komt pas in de morgen.

Ken je dat gevoel? Je wordt wakker na een veel te dronken nacht, en stukje bij beetje komt alles weer terug. Je beseft je meteen dat je weer eens veel te eerlijk hebt geantwoord op een vraag die eigenlijk niet eens gesteld had moeten worden, dat je net iets te lelijk hebt gedaan tegen je vriendje nadat hij je tegen wilde houden nog een shot tequila te nemen en ook de sneue bijdehante opmerkingen tegen de uitsmijter beginnen je bewustzijn weer binnen te druppelen. Pas nadat je al deze momenten weer hebt herbeleefd met het schaamrood op de kaken komt de genadeklap; je hebt het weer gedaan. Je hebt wéér een kapsalon genomen. De bekende smaak van een dood paard hangt namelijk onmiskenbaar rond in je mond, en iedere keer als je je tong ook maar éven beweegt proef je dat. Je weet dat praten de gehele dag onmogelijk zal zijn, net op die ene dag dat je wel zal moeten aangezien je een familiereünie gepland hebt; deze keer ben je wel héél erg los gegaan met de knoflook. Buiten dat alles voel je je lichamelijk gewoon door en door belabberd en zeker niet alleen door de kater; het is nu eenmaal een bijzonder slecht idee om om vier uur ‘s nachts nog eens 1800 calorieën naar binnen te proppen, en daar zal je vermoedelijk nog minstens twee dagen last van hebben. Het allerergst? Ik wist het. Ik weet het allemaal al jaren, en toch laat ik mijzelf minimaal eens per zes maanden verleiden er één te bestellen. Omdat het er lekker uitziet, omdat ik honger heb en omdat het me nu eenmaal in het algemeen aan een ruggegraat ontbreekt.

No more. Beste kapsalon; jij en ik hebben onze beste tijd gehad. Ik ben inmiddels een grote meid en heb me veel te lang door je laten verleiden; je mag je charmes op zestienjarige meisjes gaan loslaten, maar laat mij met rust. Ik hou het voortaan gewoon bij de Surinaamse broodjes; stuk beter te verteren en nog lekker ook.
Het is voorbij met de blijvende teleurstelling van de kapsalon.