De hysterische hulpverlener met heimwee

Van mijn zeventiende tot mijn tweeëntwintigste werkte ik op een “psychiatrisch dagcentrum”. Het was het soort dagcentrum dat met alle nieuwe regels nooit meer zou kunnen bestaan, maar toen floreerde. Zo’n honderd verschillende cliënten per dag kwamen er met ieder denkbaar psychiatrische ziektebeeld. Het team was hecht, maar we wisten nooit helemaal wat we nou precies met ze aanmoesten. We rommelden wat aan, rookten veel sigaretjes en susden de tientallen akkefietjes per dag, meer dan eens met tussenkomt van de politie. Hoogtepunt van het jaar was de “vakantie”: voor pak hem beet €100 per persoon togen twee begeleiders met zestien cliënten naar een hutje op de hei ergens in Nederland om de cliënten vijf dagen te vermaken. Voor hen het hoogtepunt voor het jaar, voor ons een dankbare taak.
Dacht ik.

Jarenlang was ik onder het meegaan met de vakantie uitgekomen, tot mijn laatste jaar bij het dagcentrum was aangebroken. Mijn HBO was zo goed als afgerond en de nieuwe baan lag in het verschiet. Het werd tijd dat ik mijn schuld aan de rest van de collega’s inloste en mijzelf vijf dagen als entertainer in zou zetten voor de cliënten. Dat het zwaar zou worden had ik voorzien, ik had immers al vanaf jonge leeftijd een vrij hardnekkige vorm van heimwee. Toch leerde ik met een ongekend enthousiasme het grote busje besturen waarin ik 8 van de cliënten van hot naar her zou vervoeren en nam ik de lijst met cliënten die zich aanmeldde wekelijks door. Wat andere hulpverleners je ook wijsmaken; je hebt altijd favorieten, en de eerste 15 cliënten bleken het ook allemaal te zijn…tot die éne zich meldde.
Die éne, met een ernstig aanwezige voetfetish waardoor geen van ons nog slippers durfde te dragen. Die éne, met een zodanig hardnekkig autistisch denkpatroon wat niet alleen hemzelf een gelukkig leven in de weg stond, maar ook ons het werkplezier meer dan eens ontnam. Die éne, die wel helemaal weg van mij was, maar ik op geen enkele manier van hem.

Dag één kwam ik nog redelijk zonder kleerscheuren door. Vooruit, ik moest een keer op en neer naar het ziekenhuis met de cliënt-met-een-theatrale-persoonlijkheidsstoornis, maar verder was het so far so good. Dag twee bleek een stuk lastiger door te komen.
Toen al geteisterd door pittige slaapproblemen had ik ergens middernacht mijn matras naar de douche versleept; het samen slapen met collega bleek onmogelijk te zijn voor mijn overgevoelige brein. ‘s ochtends stapte ik in mijn ogen wrijvend de doucheruimte uit, mijn matras achter me aansleurend.
“lekker geslapen?” vroeg die éne cliënt opgewekt.
“Ja hoor, prima”, mompelde ik, me afvragend waar mijn sigaretten waren.
“wat heb jij een kleine voetjes eigenlijk” merkte hij verlekkerd op, starend naar mijn blote voeten
De vlekken stegen op in mijn nek.
“Hier hebben we het over geh…”
“jaja, ik weet het, en euhmmmm…ja ik bedoel er niks mee…maar euhmmm…ja gewoon, ze zijn mooi”
Hij stoof weg, mij zuchtend achterlatend.
De heimwee speelde op.

Dag drie bracht ik half huilend door, dag vier was ik niets meer waard. Mijn collega entertainde de groep dapper, terwijl ik alleen maar mijn hoofd brak over waarom mij dit toch in godsnaam een goed idee had geleken.
Die avond hadden we een barbecue. Het was gezellig, voor de cliënten, en ik stond op instorten. Ik besloot de koelkast op te ruimen en kwam de kwarktaart tegen die we op de eerste dag hadden gemaakt. Terwijl ik de prullenbak opende doemde die éne cliënt voor me op.
“wat ga je doen met die taart?”
“weggooien, die is niet goed meer”
“-Kijken dan- dat is niet waar hoor -kijken dan- die is nog goed hoor -kijken dan- dat hoeft echt niet hoor -kijken dan- dat is toch niet nodig”
De tranen stonden hoog. Ik wilde naar huis.
“Geloof me maar, die moet echt weg, anders worden mensen ziek”
“-kijken dan- dat valt wel mee hoor -kijken dan- dat klopt niet hoor -kijken dan- laat maar staan hoor -kijken dan….-”
Met al mijn kracht flikkerde ik de taart in de prullenbak
‘ALS IK ZEG DAT DIE TAART NIET GOED IS DAN IS DIE NIET GOED. EN NOU OPDONDEREN!”

De volgende dag reden we terug naar het dagcentrum. De collega’s en familie wachtte me op. De cliënten, ook die éne, bedankten ons allemaal even uitbundig voor de fantastische week die ze hadden gehad en ik kon alleen maar huilen.
Ik was een illusie armer; ik was bij lange na niet de goede hulpverlener die ik dacht te zijn.
En tot op de dag van vandaag denk ik bij de aanblik van kwarktaart aan die ene cliënt die het daardoor moest ontgelden.