De koop van een grote, stomme, betonnen doos.

Anderhalf jaar geleden woonden we net twee maandjes samen. Hoewel vriend het zéér vocaal had gemaakt dat hij absoluut niet op Zuid wilde wonen had hij zich er toch maar bij neergelegd dat dat voor nu eenmaal de realiteit was; ik was niet van plan mijn koopappartementje linea recta te verkopen. Toch weerhield dat ons er niet van halsoverkop verliefd te worden op een nieuwbouwhuis. Tenminste; we werden verliefd op het met computers gemaakte plaatje van het nieuwbouwhuis. Of we werden verliefd op het idee in een nieuwbouwhuis in de stad te wonen…
Hoe dan ook; binnen ongeveer drie minuten hadden we besloten het te kopen. Voor het eerst in zijn leven was vriend ook impulsief.

De tijd van gladde personen brak aan; voordat je immers je eigen stuk grond hebt gekocht mag je eerst een heel arsenaal hielenlikkers langs. Van de hypotheekadviseur (“ik zie dat jullie hele wijze mensen zijn”) tot een licht racistische makelaar (bond direct in toen hij doorhad dat we daar niet van gediend waren) tot de meest verschrikkelijke notaris ooit (tegen vriend; “zo, weet je zeker dat je die levensverzekering af wil sluiten? Nu geef je haar wel heel veel macht”), ze leken allemaal afgestudeerd te zijn aan de school-van-foute-mensen. So far so good.

Vervolgens breekt de periode van het lange wachten aan. Er is vermoedelijk nog nooit een nieuwbouwwoning op tijd opgeleverd, dus ook die van ons loopt flink uit. Hoewel het ons allebei niet snel genoeg kan gaan uitten we ons daar ietwat verschillend in; waar ik gewoon eens per week een zeikmomentje neem wil vriend het liefst iedere dag “even langs het huis rijden”. Dat er werkelijk geen drol te zien is door de steigers heen maakt hem helemaal niets uit. Als een verliefde tiener staat hij door het rek te turen terwijl ik ergens achteraf een sigaretje rook. Ieder zijn ding.

Afgelopen vrijdag was het echter ein-de-lijk zover; er was een heuse kijkdag. Tijdens de kijkdag -zo stond er in de overenthousiaste mail- konden we mingelen met de nieuwe bewoners (echt) en alvast zien hoe ons huis eruitzag.
Ik zal eerlijk zijn; ik was wat zenuwachtig. Eindelijk zouden we iets tastbaars zien, eindelijk zou ik een echte voorstelling kunnen maken hoe groot het werd, eindelijk kon ik mijn pinterest borden visualiseren naar de werkelijkheid….
het bleek wat tegen te vallen.

Bij het zien van de klittende groep buren zijn we heel hard doorgelopen, dus we staan vermoedelijk nu al bekend als de niet-mingelende aso’s van nummer 66.
Vol verwachting liepen we de bouwdeur door recht in onze….grote betonnen doos.
Vader en zijn vrouw waren mee, en vriend stond enthousiast met hen te praten over de hoogte, en de tuin, en God-mag-weten wat nog meer. Ik stond daar een beetje, tegen de betonnen muren aan te schoppen.
Het bleek zonder twijfel de meest saaie gebeurtenis in mijn leven so far te zijn.
Al mijn fantasieën ten spijt, voor mij leek het alsnog een poppenhuisje waar helemaal niets in zou passen, ondanks dat zowel vader als vriend bij hoog en laag beweerden dat het “toch best ruim was heh”.
Het was een stomme, betonnen doos die nooit leuk zal worden.

We moeten nog ongeveer zes maanden wachten (drie als je het positieve vriend vraagt…ik ben wat sceptischer) maar ik heb nu al besloten dat ik pas weer langs ga als alles is ingericht, als er op Zuid niets anders meer dan een sinaasappelkistje op me wacht, als de vloer gelegd is, de keuken gezet en het bad klaarstaat om erin te springen…
Het hebben van een nieuwbouwhuis gaat niet over rozen.