De Positiviteef

Het regende. Niet een beetje, maar kéihard, eind juli. Het was een veel te lange dag geweest en mijn MP3 speler was kapot gegaan ergens onderweg van het werk naar de metro. Zuchtend liet ik me in het metrostoeltje vallen, dankbaar voor de zomervakantie en dus de ruimte om te zitten.
Ze nam plaats naast me, met een glimlach van oor tot oor. Achterdochtig keek ik om me heen; waren er open plekken en had ik hier met een looney te maken? Opgelucht haalde ik adem; het was gerechtvaardigd dat ze naast me kwam zitten. De gigantische glimlach echter niet.
“Wat een weertje heh!” kwetterde ze vrolijk om zich heen, naar schijnbaar niemand in het bijzonder.
Ik bromde wat, deels uit opvoeding, deels omdat ik er nog steeds niet van overtuigd was dat mijn werkdag er écht op zat en ik niet in de maatschappelijk werker stand moest.
“agh, het is goed voor de plantjes!”
Shit.
Het was een positiviteef.

Begrijp me niet verkeerd; ik kan heus positief zijn.
Soms.
Ik stel me zo voor dat ik in tijden van oorlog het moraal hoog zou kunnen houden, ook al is het eten op en sterven onze mannen bij bosjes aan het front. Ik zou grapjes maken en liedjes zingen ook al kan ik dat helemaal niet, en ik zou ons vrouwen uiteindelijk eigenhandig naar de overwinning leiden.
Maargoed, dat is dus alleen als het moet heh.
De positiviteef staat eigenlijk altijd in standje oorlog. Die ziet niet alleen de glans in van stortbuien hartje zomer, maar ook van overwerken (“heh gezellig, wat zullen we voor eten halen?”), een gedwongen ontslag (“tijd voor nieuwe kansen!”) en zelfs een verbroken relatie (“de tijd die we hadden was leuk!”). Het zijn het type ouders die hun kinderen opvoeden met het idee dat meedoen belangrijker is dan winnen (bullshit, vraag maar aan Dafne Schippers), die overal de hashtag #blessed voor gooien zelfs als is het Facebook en zijn de hastags daar goddank nooit echt lekker van de grond gekomen en de wildvreemden die in het restaurant heel hard mee beginnen te zingen met de “happy birthday” van het personeel ook al kennen ze de jarige niet, maar gewoon, omdat iedereen een koor verdient op zijn verjaardag.
Het allerergst?
Ik lijk er zelf altijd zo’n negatieve trut door.

Er zijn misschien weinig zaken waar ik gepassioneerd over ben of van in extase raak, maar naast zo’n positiviteef kom ik doorgaans wel erg zwartgallig over.
Hoe graag ik ook zou willen, ik heb nooit een voordeel kunnen ontdekken van het moeten zoeken naar een nieuwe baan na wéér een reorganisatie, heb ondanks verschillende pogingen nooit de tegenzin “alles wat nu valt kan straks niet vallen!” mijn mond uit kunnen krijgen en ga het liefst door de grond als iemand achter me in de veelstelange rij bij de Albert Heijn een praatje met me aan wil knopen onder het mom van gedeelde smart is halve smart. Een tegenslag omschrijf ik nog steeds als “gewoon klote” in plaats van een leermoment en eigenlijk ben ik al lang geleden tot de conclusie gekomen dat even lekker zeiken de lucht klaart, waarna ik weer met hernieuwde energie de wereld tegemoet kan treden.
Ik snauw de positiviteven dan ook snel en vakkundig af, zodat ze op zoek kunnen naar een gelijkgestemde ziel die het wel een prettig idee vindt dat de wereld iets lichter gekleurd wordt door gewoon naar elkaar te glimlachen.

Kortom; ik ben wellicht toch vooral een negativiteef.
En of plantjes genoeg water krijgen in juli kan me niet minder interesseren.