Ik vertrek dus lekker niet.

Ik Vertrek; het beste programma wat de AVROTROS ooit heeft voortgebracht. De opzet? Een Nederlands stel met beiden een doodsaaie baan, huwelijk en leven vertrekken met twee kinderen en hond naar een verlaten oord ergens in het buitenland om daar een camping/bed&breakfast/eetcafé/restaurant/godmagwetenwat op te zetten. Dit alles zonder de taal te spreken, enige ervaring in de desbetreffende tak van sport te hebben en zonder überhaupt enig idee van zaken doen te hebben. Waarom? Omdat dat nu eenmaal hun “droom” is.

Bijzonder genoeg zijn die gezamenlijke dromen altijd erg specifiek, wat mij toch wel aan het twijfelen brengt aan het draagvlak bij beide “ondernemers”. Wat zijn immers de kansen dat je allebei al je leven lang droomt van het opzetten van een naaktcamping in het armste gebied van Hongarije? Inderdaad; bijkans nihil, waarbij de volgzame partner dan ook snel te ontmantelen is door op de absolute doodsangst in de ogen te letten. Meer tijd voor elkaar en de kinderen blijkt vaker dan eens de beweegreden te zijn, vooral “nu ze nog zo klein zijn en je anders zoveel van ze mist”. Om de een of andere reden lijkt nooit van tevoren door te dringen dat die 15-urige werkdagen weinig ruimte overlaten voor dat gedroomde potje Rummikub in de avond. Het wordt dan ook totaal over het hoofd gezien dat de kinderen gepest worden op school omdat ze de taal niet spreken en er toch wel heel gek uitzien voor de -pakhembeet- Zuid-Afrikaanse begrippen; pap en mam zijn druk aan het schrobben, boenen en klussen.

Want druk is het altijd. Het van tevoren éénmaal geïnspecteerde pension met 40 hectare land eromheen blijkt altijd toch niet helemaal hun eigendom te zijn na aankomst, wat de oude eigenaar ook beloofde en ondanks al het betaalde spaargeld. Tot overmaat van ramp doet ook de elektriciteit het niet, is het dak net ingestort en blijken de vergunningen niet geregeld te zijn; zie dat maar eens te “managen” als je de taal niet spreekt en nul verstand hebt van zaken doen in Nederland, laat staan in het buitenland. Al snel slaat de paniek dan ook toe, waarbij ook ineens blijkt dat die ooit zo charmante “lekkere relaxte houding” van de plaatselijke bevolking helemaal niet zo prettig is als je drie dagen op de elektricien moet wachten. De reddingsploegen vanuit Nederland worden ingeschakeld waarna vrienden, broers en bejaarde vaders hun spaarzame vakantiedagen mogen spenderen aan het opknappen van de bouwval terwijl de vrouw des huizes de avondmaaltijd voorbereidt; immers behelst de nagejaagde droom ook altijd iets als “koken voor grote groepen”, dat is met kerst ook altijd goed gegaan. Na weken van noeste arbeid is het dan ook wachten op de boekingen, want de gemaakte beloftes in Nederland (“ja we komen echt langs hoor!”) blijken toch wat tegen te vallen. En wat doe je dan met al die overgebleven tijd?
Je verzucht. De héle godganse dag verzucht je je tegenover elkaar. “Dit is het leven”, “wat een cadeau om hier wakker te worden”, “ik mis Nederland helemaal niet” en “wie zou dit nou niet willen” komen allemaal rechtstreeks uit het niet te missen wij-blijven-stellig-volhouden-dat-dit-het-helemaal-is-vocabulaire-voor-zojuist-geëmigreerden-net-zolang-tot-we-er-zelf-in-geloven-handboek. De vrouw haar doodsangst is vervangen door totale ontzetting en de inmiddels 20 kilo afgevallen man neemt nog eens een slok van zijn biertje, ook al is het 9 uur s’ochtends; er is verder toch niks meer te doen zo zonder gasten.

Voor iemand zoals ik -die nooit de droom of ambitie heeft gehad te emigreren- is dit dan ook gouden televisie, waarbij er meer dan eens een “ongelofelijk wat oerstom!” aan mijn lippen ontsnapt; niets mooiers dan andermans fouten bekritiseren. Zo aan het eind van het programma kan ik me dan ook niet inhouden en nestel me tegen vriend aan om vervolgens te verzuchten; “Wat hebben we het toch goed heh schatje”.