Shit; we kunnen niet (gezond) koken.

Een aantal dingen horen volgens mijn ouders bij “een goede opvoeding”. Zo waren we verplicht zo snel mogelijk na onze achttiende verjaardag ons rijbewijs te halen, hadden we buiten de zwemdiploma’s ook brevetten van de reddingsbrigade, en moesten we -of we nu wilden of niet- één jaar op kookles, zo rond de leeftijd van tien jaar.
Helaas heeft het helemaal niets opgeleverd.

Want na het jaartje leren hoe je aardappels moest schillen en de andijvie lang genoeg diende te koken, werd er maar weinig aandacht meer aan besteed thuis. Vond ik wel best, kon ik me bezighouden met belangrijke zaken, zoals de nieuwste kleur lippenstift. Het begon echter toch wat lastig te worden toen ik op mijn negentiende mijn eerste huisje betrok.
Samen met mijn vriendin keek ik naar de twee kipfiletjes die in de pan lagen.
“En nu?” vroeg ze me, ietwat glazig om zich heen kijkend. Ik had dan misschien geen idee, maar aan zelfvertrouwen had het me nog nooit ontbroken.
“nu wacht je tot ze er een beetje bruin uitzien. En je gooit er afentoe wat boter bij.” Ik keek op de klok; twee minuten waren inmiddels al verstreken, en nadat ik er wederom een half pakje boter bijgooide (“doet iedereen hoor!”) haalde ik de kipjes met eenzelfde zelfvertrouwen uit de pan om met de komkommer en tomaat op te dienen.
Compleet rauw vanbinnen, maar met zo’n lekker bruin randje.

Dat vat mijn kookcarrière goed samen. Vanaf dat punt namen anderen het eetgedeelte in mijn leven over; vriendinnen, vriendjes en Thuisbezorgd.nl zorgen er al jaren voor dat ik toch nog min of meer in leven blijf. Wellicht niet heel gezond, maar agh, wel lekker.
Nu hebben vriend en ik afgelopen week vakantie gehad. Dolle pret wat ons betreft, dus buiten de etentjes buiten de deur alle reden om iedere avond zo’n bestelmaaltijd aan te laten rukken. Als uit het niets sloeg de blinde paniek toe.
“Kut schat, wij kunnen gewoon allebei niet koken….”
“nounou…niet koken. Onze hamburgers zijn onverslaanbaar!”
Ik begon wat te glimmen. “Das waar…en jouw wraps met chilisaus en kaas uit de oven zijn zó lekker.”
“en laten we vooral mijn kapsalon niet vergeten. Jouw nachos mogen er trouwens ook best zijn”.
Ik straalde inmiddels; mijn nacho’s mochten er inderdaad best zijn! En mijn gehaktballen in hete saus die ik de hele dag op het vuur kon laten staan, en zijn appeltaart, en onze patat met saté, enenenenen….
“maar tis geen van allen écht wat een baby eet heh…of wat je een peuter voor wil zetten…”
zwijgend keken we wat voor ons uit.
“nouja…” begon vriend. “Mijn rijst met sperzieb…”
“met sperziebonen?? dies niet te ééééééten. Niemand houdt van sperzieboontjes. Sperziebonen zijn voor losers.”
Ik knikte heftig en gepassioneerd. Ik ben erg heftig en gepassioneerd als het op groenten aankomt.
“Maarja…das een beetje het probleem heh…we houden gewoon niet echt van gezond eten. En we zijn een beetje lui.”
De kern van ons kinderachtige probleem.

Daar zitten we dan. Twee volwassenen die het liefst iedere avond patat eten. Of kapsalon, of pizza. En die dat zelfs best aardig kunnen maken, maar het aan de energie ontbreekt om een behoorlijke stamppot in elkaar te draaien. Sneu? Best wat. Tijd voor verandering? Ook.
Het is tijd om de aanbiedingen van vriendinnen die wél kunnen koken aan te nemen; binnen nu en zes maanden ga ik niet alleen een kind baren, verhuizen en een huwelijk plannen; ik ga ook gezond leren koken, wat nog lekker is ook, en waar je een kind mee groot kan brengen.
Het is tijd om het laatste opvoedonderdeel van mijn ouders af te ronden.