Weemoed naar de Blokker

Veertien was ik toen ik begon met werken bij de Blokker. Lekker veilig, op het dorp waar ik was opgegroeid, 10 minuutjes fietsen vanaf mijn ouderlijk huis. Oma kwam altijd wel even langs voor een praatje, ma bracht mijn boterhammen langs als ik ze was vergeten, mijn vriendinnen hingen wat rond zodat we alvast de weekendplannen konden bespreken. Ik heb er in totaal vijf jaar gewerkt, tot en met mijn achttiende. Weekenden, koopavonden, vakanties; uren en uren heb ik er gewerkt, voor een salaris waar ik me nu nog over verbaas dat ik dat toen zoveel geld vond; na vier weken 40 uur per week gewerkt te hebben in de zomervakantie ontving ik mijn loonstrookje, die het exorbitante bedrag van €320 liet zien.
Ik voelde me de koning ter rijk

Ik kreeg mijn eerste echte baan op mijn achttiende, werken op een dagcentrum voor psychiatrisch patiënten. Doorgaans kwamen er zo’n 100 mensen per dag, met ieder denkbaar ziektebeeld. Het was zwaar, maar ik dacht dat ik ze wel kon “redden”. Dat is zo’n maatschappelijk werkers dingetje wat iedereen in het begin nog heeft, maar wat er langzaam wel afgaat.
Dat eerste jaar werkte ik ook nog steeds afentoe bij de Blokker, als ze iemand snel nodig hadden. De klantenservice was mijn station. Ook daar hielp ik mensen, maar dan een stuk concreter, en met een beduidend hoger slagingspercentage.
De Blokker hield op, mijn carrière ging door. Na vijf jaar op het dagcentrum gewerkt te hebben ging ik naar de reclassering, werkte ik met de dak- en thuislozen, maakte ik een omzwerving als zorgbemiddelaar om weer op mijn eerdere stek te belanden; de dak- en thuislozen.
Er zijn weinig banen die zo veel op kunnen leveren als het werken met dak- en thuislozen. Er zijn ook weinig banen die zo verschrikkelijk veel energie vragen, zuigen, en waarbij je slagingspercentage zo laag is. Hoe hard je ook werkt, het is nooit hard genoeg. Hoe graag jij ook wil, als de ander toch de drugs verkiest boven jouw keurig opgestelde plan is die arbeid allemaal voor niets geweest; op naar de volgende.
Ik hou van mijn werk. Echt. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit iets anders zal doen en uiteindelijk krijg je voor die éne waar het uiteindelijk wel goed mee gaat zoveel energie dat je er weer maanden tegenaan kan.
Maar soms zou ik willen dat ik weer gewoon bij de Blokker werkte.

Dat ik me enkel druk hoef te maken over of mijn toebedeelde rijen wel perfect gespiegeld zijn. Dat mijn grootste zorg van die dag weer gewoon bestaat uit of ik wel alle pallads met spotgoedkope dvd-spelers weg kan werken. Dat mijn adrenalinelevel piekt op het moment dat er zes mensen in je rij staan met hun armen vol cadeau’s maar je toch weet jij kan dit. Je bent een inpakbeest. Jij lust die cadeautjes rauw. Dat mijn grootste frustratiepunt weer gewoon het ronddraaiende olifantje voor de deur is waar kindje op kunnen rijden voor €0,50 en waar de hele godganse dag een schijtirritant muziekje uitkomt. Dat ik weer drie vastomrande pauzes heb, twee keer een kwartier voor de koffie en een half uur om je kleffe boterhammen weg te werken. Dat ik weer verantwoordelijk ben voor het up-to-date houden van de dvd’s, waar ik uren gewichtig naar kan kijken alvorens een keuze te maken wat er aangevuld moet worden. Dat ik aan het eind van de dag het geld tel en hier dan een wedstrijd van kan maken met de collega naast me wie het het snelst correct geteld heeft; de lichte paniek die er ontstaat als er €2 te weinig is neem ik op de koop toe.

Soms, op de allerdrukste, meest stressvolle momenten van mijn werk droom ik even weg naar de Blokker. Naar de zorgen die ik daar had in vergelijking met de zorgen van het nu. De gesprekken die ik daar voerde tegenover de gesprekken nu, met mijn dak- en thuislozen.
Ik ben op de plek waar ik moet zijn.
Maar mocht de Blokker ooit nog eens zijn salarissen vertienvoudigen en 4 daagse werkweken aanbieden (zonder avonden en weekenden uiteraard!) dan mogen ze me altijd bellen.
Ik ben namelijk nog steeds een inpakbeest.